Metro magazine

In de jaren 80 gingen een aantal tijdschriften erg vlotjes over de toonbank. Toppers waren ondermeer Joepie, Panorama, De Post, Quick, Het Rijk der Vrouw, Libelle, Humo, Knack en Flair. In Gent hadden we een eigen klepper, het “enige en grootste” stadsmagazine METRO. Een berucht buitenbeentje, zo berucht zelfs dat het maar een kort leven beschoren was.We spraken met bezieler, hoofdredacteur en professioneel schenenschopper Eric Goeman, over tijden waarin alles mogelijk leek, over de liefde voor het journalistenvak, maar ook over de tol van de roem en de pijn van het afscheid.

Van september 1982 tot januari 1984 verscheen dit inmiddels tot de cultstatus verheven blad tweewekelijks. Elk nieuw nummer was niet meer of minder dan een evenement: de kritische Gentenaars hadden de mond vol van de hete hangijzers waarover het populaire tijdschrift berichtte, krantenwinkels konden de vraag met moeite bijhouden. Zoals wel vaker het geval is, ontstond METRO tussen pot en pint: “Het idee voor METRO is geboren op het terras van het vroegere Park Hotel aan de Zuid, waar nu het shopping center staat te blinken. Daar waren we met z’n drieën neergestreken na een uitgebreide avond in café Jekyll & Hyde, recht tegenover de Vooruit (onder meer met partner in crime Guido Beauchez, nvdr). Als linkse rakkers van het eerste uur waren wij het beu om alleen maar flyers uit te delen aan de Innovation of aan de Blandijnberg. We wilden meer dan dat. Onze stoutste droom was een goed links product maken voor een groot publiek, de linkse kritiek populariseren, zeg maar. Het was goed weer die avond en we begonnen namen voor ons blad te zoeken. We haalden inspiratie bij andere linkse bladen in Italië, Duitsland of Frankrijk. Die hadden vaak als titel iets met een ‘mol’ erin, de idee van een mol die graafwerk verricht en de waarheid aan het licht brengt. Wat is een moderne mol? Een metro! En voilà, het kind had een naam.”

Vele grote namen zijn bij METRO hun carrière gestart. Bijvoorbeeld Filip Claus, die daarna een van de  fotografen van De Morgen geworden is, Rudy Vandendaele die later bij HUMO naam maakte als ‘Dwarskijker’ of auteur Freek Neirynck die toen al een bekend figuur was en een van de weinigen was die zijn nek durfde uit te steken door zich aan METRO te linken. Andere ronkende namen waren de fotografen Willy Dee en Lukas Roels die er van bij het prille begin bij waren of journalist Ludwig Verduyn en cartoonist Erwin De Bie. Goeman ging bij de start samen met zijn Nederlandse kompaan Guido Beauchez op zoek naar goede pennen: “Die hele zomer lang heb ik mij beziggehouden met mensen te zoeken die konden schrijven. Er waren wel wat stadskranten toen. De bekendste was misschien wel De stoeten Oostendenoare, maar er was ook Vrij Maldegem dat nog steeds verschijnt en eind jaren 70 Den Agentenaar. Maar al die kranten zágen er niet alleen alternatief uit, ze wáren het ook. Met andere woorden, bestemd voor een zeer klein publiek. Dat was nu precies wat wij niet wilden. Wij wilden de concurrentie aangaan met de HUMO en de Knack. Het moest er dus allemaal goed uitzien, in kleuren, met veel goede foto’s, een verzorgde lay-out en onberispelijk gedrukt.”

Belangrijk voor de jonge kerels was dat alle aspecten van de samenleving aan bod kwamen, dus niet alleen grote politieke verhalen, maar ook sport, mode, muziek, film, theater, noem maar op: “Die zomer zocht ik voor ieder onderwerp een auteur. Let wel, we probeerden een andere aanpak uit. Neem nu, sport. In de gewone pers lazen we enkel over voetbal en dan alleen nog de grote ploegen. Alle kleine ploegen vielen uit de boot. Daar deden wij niet aan mee. We eerden ook het kleine. Dat was onze sterkte, vind ik. Ik herinner me nog een uitgebreide reportage over een kruisbooggilde in Destelbergen, met groepsfoto en al. Of over roeien aan de Watersportbaan. Idem met mode. We deden geen reportage over de mode in Milaan, maar interviewden de hoedenmaakster aan het Sluizeken, bijvoorbeeld.”

Over de politieke strekking van het blad bestond er weinig twijfel: “Iedereen die voor METRO werkte was links, breed links, laten we zeggen. Maar dat we links waren, wilde helemaal niet zeggen dat we zomaar meeheulden met de socialisten, hé. We waren zeker geen partijblad! We stonden heel erg kritisch tegenover alle gemeentepolitiek, zonder onderscheid. Alle partijen werden over dezelfde kam geschoren. Dat was zo van in het begin, en dat is ons nooit in dank afgenomen. De conflicten waren dan ook legio.”

In totaal is METRO 4 keer in beslag genomen.”Er bestaat een plakboek met 167 persknipsels over METRO. Internationaal, tot in Der Spiegel en Vrij Nederland. We waren meer dan anderhalf jaar the talk of the town. Maar we betaalden ook een prijs: we werden bedolven onder processen. Op het hoogtepunt waren er voor 21 miljoen oude Belgische franken (520.000 euro, nvdr) schadeclaims tegen mij persoonlijk gericht.” Een dieptepunt voor het magazine kwam er toen in de METRO een obscene en weinig tot de verbeelding overlatende spotprent van de Gentse liberale familie De Clercq verscheen, als centerfold, zodat wie dat wenste de prent makkelijk als een poster kon ophangen, wat toen massaal gebeurde: “Dat proces ging over 1 tekening, een spotprent! Dat was uniek in België en enkel eerder gebeurd met een sportprent van Leopold II!”

Journalistiek was in de jaren 80 nog een geheel ander paar mouwen. Om aan informatie te komen of een straf verhaal te sprokkelen, offerde de journalist zich grootmoedig op en posteerde zich geduldig in de meest uitgelezen verzamelplaats voor nieuws en weetjes, het café: “Vanaf het tweede nummer kregen we een bepaalde sympathie bij een gedeelte van de Gentse journalisten. Dat kwam onder andere omdat ik vaak ging pintelieren in café ’t Centerken rechtover het oude justitiepaleis. Daar zat het alle dagen vol met gerechtsjournalisten. Grote seigneurs, hoor. Gaby Fonck voor Het Laatste Nieuws, Laurens De Keyzer voor De Gentenaar, Cesar van de Poel voor De Morgen. Tussen de bedrijven door kwamen die allemaal naar ’t Centerken. Daar hoorde ik natuurlijk veel verhalen. Ongeveer 40% van de verhalen die ze in petto hadden, mochten ze van hun eigen hoofdredacteuren niet brengen. Dergelijke scoops werden mij zeer geregeld, een beetje onder tafel, ni vu ni connu, doorgespeeld. Dat was ons geheim wapen. Ga daar, doe dit, check dat en hup, we hadden een verhaal. Zo werden ons veel sterke verhalen in de schoot geworpen. Zoals de foto van burgemeester Jacques Monsaert met Arabische hoofdtooi. Monsaert had enkele Arabische sjeiks ontvangen, ook in het Park Hotel trouwens, en liet zich fotograferen op een receptie als sjeik onder de sjeiks. Dat beeld mocht niet gepubliceerd worden. Reden genoeg voor ons om er de cover van ons tweede nummer van te maken, natuurlijk. Met als gevolg dat we er een nieuwe vijand bij hadden.”

In een tijd zonder email was een METRO maken geen klein bier. Elk nummer kwam op quasi ambachtelijke wijze tot stand. “Voor het minste detail moesten we bellen. Bijvoorbeeld de uitagenda die we maakten: dat was een verschrikking! Voor het productieproces hadden we 14 dagen. De kern van de METRO bestond uit 2 personen: Guido Beauchez en ikzelf. Wij deden het grondwerk, de planning, hielden het overzicht. Voor alle andere artikels zochten we dan de juiste auteur. Dan waren er nog de fotografen en cartoonisten. We waren toch al snel met een twintigtal mensen om een nummer op tijd klaar te hebben. We hadden 2 lay-outters en de hele lay-out duurde 2 nachten en een dag.” De kantoren van METRO waren bij Goeman thuis, op de bovenverdieping: “’s Nachts kwamen ze bij mij de lay-out doen. Aan een nieuw nummer werken was een onophoudelijk afwisselen van schrijven, de baan op zijn en veel praten om informatie te vergaren.”

De tijdsdruk was enorm, en anderhalf jaar METRO leken, gezien de bergen werk die moesten verzet worden, achteraf wel 10 jaar. Ook het drukken zelf was veel omslachtiger dan nu: “De drukker had ongeveer een dag en een nacht om alles klaar te krijgen. Drukwerk zat toen nog helemaal anders in elkaar. We werkten met een bevriende, anarchistische drukkerij, Agitat, waar ik zelf nog een blauwe maandag had gewerkt. Die hadden de uitrusting om een deftig product te maken, dat mocht gezien worden. Maar het was nog met de middelen die toen beschikbaar waren. Met letterlijk zeer veel knip- en plakwerk en lichtbakken, dus. Maar goed, dat was nog het minste. De kwestie was dat het drukken van meer exemplaren niet noodzakelijk goedkoper was. METRO werd verkocht voor 40 Belgische frank. De krantenwinkel hield daar 14 frank aan over. Bijvoorbeeld ‘De Brug’ in de Phoenixstraat die verkocht op zijn eentje 600 exemplaren, meer dan de HUMO. Het was Gents, ze hielden er iets aan over en er werd over niets anders gesproken: de winkels verkochten de METRO dus graag.”

Eenmaal gedrukt, moesten de nummers verdeeld worden. Ook dat nam Goeman op zich: “Wanneer het nummer gedrukt was, moesten we nog 2 dagen rondrijden voor de verdeling. We hadden geen geld om de distributie van ons magazine uit te besteden. We deden het dus maar zelf. Bij ieder nieuw nummer leverden wij met 4 auto’s aan 170 krantenwinkels in Groot Gent. Dat was echt gekkenwerk, waar we 2 volle dagen mee bezig waren! Het positieve was het contact met de winkeliers: we hoorden alles en kregen instant feedback over de inhoud of het uiterlijk van ons blad.”

Goeman leefde voor het blad en legde er zijn hart en ziel in: “Het laatste wat ik altijd deed was het redactioneel schrijven, de edito. Dan trok ik mij terug, dan was eindelijk iedereen mijn huis uit. Ik had echt geen privéleven meer. Het was het laatste dat naar de drukker ging. Dan nam ik een bad en sliep tot de late namiddag. Nadien gingen Guido en ik één keer uit, zetten de stad op stelten, wreven eens goed onze ogen uit en begonnen aan het volgende nummer.” Goeman leefde op een rollercoaster: “In die bijna 2 jaar heb ik echt roofbouw op mijn gezondheid gepleegd. Doe daar nog eens die fnuikende  processen bij en het zal u dan ook niet verbazen dat ik die periode voor mij persoonlijk als verschrikkelijk bestempel.”

Maar ook voor Goeman werd trop al snel te veel: “Door een combinatie van tien dingen die ons tegelijkertijd overspoelden, hebben we een punt gezet achter ons stadsmagazine. We hadden financiële problemen, ondanks ons succes. Er was bovendien een zekere vermoeidheid in onze werking geslopen. We zaten in de schulden, zeker, maar al die processen eisten een zware tol. Uiteindelijk hebben we het bijltje erbij neergelegd omdat we meer en meer zelf onder het bijltje terecht waren gekomen. We hadden veel vijanden gemaakt. Hun lange arm was zo veel sterker dan onze boze pennen. Op het einde waren de vrienden van weleer uit elkaar en werden de journalistieke dromen opgeborgen. We hadden even gespeeld, waren zelfs een tijd meer berucht dan beroemd, maar moesten uiteindelijk het onderspit delven. We werden wakker in de neoliberale tweede helft van de jaren tachtig omgeven door yuppies en blingbling.”

Goeman zou Goeman niet geweest zijn, mocht hij bij de pakken hebben blijven zitten: “We begrepen dat we die processen moesten aanpakken. We moesten een topadvocaat voor onze kar zien te spannen. Via een omweg kwamen we terecht bij Jos de Man. Die was onder andere bekend van de legendarische televisieserie ‘Beschuldigde sta op’, waar de advocaten gespeeld werden door echte strafpleiters. De mensen bleven daar voor thuis en Jos de Man was toen een bekende Vlaming.” De Man deed de Brusselse balie maar wilde zich profileren in Gent. De kwestie METRO was voor hem een geschenk uit de hemel: “Hij raadde ons aan om meer vraagtekens in onze artikels te gebruiken! Enfin, hij nam al onze processen op zich, de spotprent en de hele kwestie rond de zaak Jespers.”

Al snel escaleerde de zaak en METRO bevond zich midden in een heuse mediastorm: “We dachten een goed verhaal te brengen, maar beseften niet in wat voor een wespennest wij ons hoofd hadden gestoken. Niemand van ons had iets met partijpolitiek te maken. We wilden alleen maar gedegen journalistiek brengen. Door ons in de zaak Jespers te begeven brak de hel los. We hadden echt een beerput opengetrokken. Plots nam ons leven een heel andere keer. Nu moesten we gaan lopen uit de cafés!” Naar het einde toe werd het zelfs grimmig: “Op het hoogtepunt van de processen zijn er 2 molotovcocktails gegooid in onze burelen. Ik was voor de zoveelste keer in slaap gevallen op mijn typemachine en schrok wakker door een knal. De benedenverdieping stond in lichterlaaie! Het hele bureau is uitgebrand, samen met ons archief, duizenden foto’s. De daders hebben ze nooit weten te pakken en de zaak kwam in de doofpot terecht.”

METRO had een overduidelijk anarchistisch trekje, sensationeel en onkreukbaar. “Wij waren allemaal kinderen van mei 68. Zoals ik al zei, het belangrijkste was voor ons om een goed product te brengen, met alles erin wat de mensen bezighield. Dus niet alleen de sociale strijd of politiek. We waren anarchistisch, zeker en vast, want we waren geen ja-knikkers. Wij hebben nooit gedanst naar de pijpen van de politiek.”

METRO was groot in Gent. En erg inventief als het op promotie aankwam. Zo was er het fameuze plastieken handje van METRO, met een zuignap te bevestigen op de achterruit van de wagen waardoor het begon te zwaaien eenmaal het voertuig aan het rijden was. “Dat was een promotiestunt van in het begin. Op de duur zag je die overal, die handjes. Een andere stunt was ons singeltje ‘Da moe keunen’, de ‘officiële hit van de Gentse Feesten’, editie 1983. Dat was een nummer geschreven door Fabien Audooren op een tekst van Freek Neirynck. Dat nummer kwam er speciaal voor de Gentse Feesten, maar ook om aan te klagen dat METRO omwille van een spotprent in beslag was genomen. Op de B-kant staat ook nog “Carolien”, waarin Fabien samen met The Machines op schitterende wijze “Carol” van Neil Sedaka covert. Op die 10 dagen Gentse Feesten hebben we 33 keer opgetreden! Dat was waanzin ten top. Het was toen echt het hoogtepunt van onze populariteit. Ik herinner me zelf een vrouw die haar kind aanreikte na het optreden zodat ik het een kruisje op het voorhoofd kon maken. Ongelooflijk! ”

Ook om het magazine te lanceren kwam Goeman origineel uit de hoek: “We hadden geen geld, dus moesten we creatief zijn. Samen met de gasten van Wurre Wurre, een Gents cabaretduo dat theater zonder woorden bracht, bedachten we een campagne om de Gentenaars warm te maken voor ons nieuw blad, nog voor het eerste nummer verscheen. We hadden een auto met een platte aanhangwagen waar de mannen van Wurre Wurre in stonden, als twee boksers, volledig in tenue. We reden dan langzaam door Gent, onder andere in de Veldstraat en zij boksten in slow motion. Telkens na x aantal tijd stopten ze, keerden zich naar het publiek, trokken hun speciaal voor de gelegenheid ontworpen boksbroekjes open en bij de ene stond er in het groot ‘METRO’ en bij de andere ‘KOMT’. Van tien negen had iedereen dat gezien, maar niemand begreep wat de bedoeling was of wie er achter zat. Tot wij een week of zo nadien met ons eerste nummer afkwamen! Dat was direct een schot in de roos, met maar liefst 6.000 verkochte exemplaren.”

In 1986 ondernam Goeman nog enkele pogingen om METRO nieuw leven in te blazen, onder de titel ‘DE NIEUWE METRO’: “Toen zeiden sommige uitbaters van krantenwinkels – die waren gek op de vroegere METRO omdat het zo goed verkocht  – dat ik er beter niet aan begon want dat het volgens hen niet meer zou verkopen. Zij waren ervan overtuigd dat er geen publiek meer was voor een kritisch blad als METRO. Natuurlijk, wilde ik daar niet naar luisteren. Achteraf moest ik de handelaars toch gelijk geven: op het hoogtepunt van METRO verkochten we maar liefst 11.000 exemplaren, dat was immens! We kregen zelf het voorstel om een bijlage van de krant Vooruit te worden. Een voorstel dat we uiteraard als rechtgeaarde punkers niet konden aannemen (lacht). Maar goed, deze keer haalde ik amper 2.000 exemplaren. Ik gaf er al snel de brui aan. Het was goed geweest en had mezelf niets te verwijten want ik had tenminste geprobeerd.”

METRO is niet meer, maar Goeman wordt er tot op vandaag aan herinnerd. “Als ik nu ergens mijn kop toon, is het nog altijd al METRO wat de klok slaat. Ik vind dat niet erg, maar de mensen vergeten soms dat ik nog andere dingen heb gedaan, maar goed. Het waren schone tijden. Wild, zeer zeker, maar ook en vooral schoon.”

TIP:

Wie een vinylsingletje wil van DA MOE KUNNEN kan een GRATIS exemplaar komen ophalen in de shop van het Huis van Alijn. Met dank aan Eric Goeman.

Eric Goeman is woordvoerder van Attac Vlaanderen, coördinator/woordvoerder FAN (Financieel Actie Netwerk), voorzitter Democratie 2000, debattenorganisator tijdens de Gentse Feesten.

Share on FacebookShare on Twitter+1Share on Tumblr

Tags:

Reageer