#GF13: Paul De Braeckeleer

De Gentse Feesten bij Sint-Jacobs hebben vanaf de heropleving in 1970 een alternatief karakter gehad, steeds met het nodige engagement, maar ook met artistieke kwaliteit hoog in het vaandel. Zo waren er de memorabele installaties van Paul De Braeckeleer.

In 1979 was De Braeckeleer betrokken bij Patati Patata, het jeugdatelier van theater Stekelbees. Daar kreeg hij door een uit de hand gelopen grap de smaak te pakken voor zijn latere installaties: “Walter De Buck had een show opgezet en theater Exces deed daar het mimespel rond. Patrick Vandewalle van Exces was een paar keer te laat en dan riepen wij uit volle borst in de microfoon: “Heeft er  iemand mijnheer Vandewalle gezien?” Dat werd op de duur een echte running gag. Wij hingen na een tijdje ook affiches aan de bomen, met een telefoonnummer op. Wij zijn zelfs ooit eens op de radio geweest waar we vriendelijk vroegen of mijnheer Vandewalle terug wilde komen uit zijn vakantie in het Zuiden, omdat hij ‘van doen’ was op de Gentse Feesten. De laatste dag van de Feesten zorgden we voor de ontknoping, natuurlijk. Want waar was nu eigenlijk die mijnheer Vandewalle?”


De Braeckeleer bedacht toen met zijn kompanen, een eerste installatie: “We hadden een grote kleerkast gemaakt. Je kon je hoofd in die kast steken en dan keek je recht in een spiegel. Rond die spiegel hadden we een soort tarzanpakje gemaakt, met onderaan 2 dikke ajuinen waartussen een prei bengelde. Boven op de kast zat er een gast die dan met een touwtje de bewuste prei op en neer trok. Voor 5 frank mochten de mensen hun hoofd in de kast steken. Dan zagen ze niet mijnheer Vandewalle, maar zichzelf”.

De toon was gezet en de komende edities van de Gentse Feesten bleef De Braeckeleer het publiek verrassen en verbazen. Ieder jaar vanaf 1980 kwam hij op de proppen met een nieuwe vindingrijke installatie. Hij zette de mensen ook en in de eerste plaats aan het lachen. Humor is de rode draad doorheen het oeuvre van De Braeckeleer. Verbeelding met een glimlach en een knipoog. Een vette.

In 1980 staat De Braeckeleer op de Vlasmarkt met De Koe, een camionette met een koe erin verwerkt. Voor een kleine bijdrage kon je via het achterste in de koe kruipen en ‘het geheim’ ontdekken. “Met die kleerkast hadden wij ons goed geamuseerd. Bovendien konden we met de opbrengst een stevige pint gaan drinken. Iedereen content, dus. Het jaar nadien hebben we dan De Koe  gemaakt en boden wij de ‘koetherapie’ aan. Wie problemen had, kon in die koe kruipen. Dat was eigenlijk de camionette van Willy Joncheere  waarin we een doolhof hadden ingebouwd. Je kroop binnen via het achterste en langs de muil gleed je dan over de tong gelouterd en herboren naar buiten.” Het geheim was enkel te ontdekken voor zij die er open voor stonden. De rest stond gewoon in het donker. “Iedereen die in de koe kroop, zweeg. Uit solidariteit met ons, maar ook omdat we toen al 20 frank entree vroegen. Niemand wilde zeggen wat er te zien was! Je moest zelf maar eens een kijkje gaan nemen.” Net als voor de ‘mijnheer Vandewalle attractie’ was er ook een heuse affichecampagne verbonden aan De Koe: “De affiche hingen we uit, met een telefoonnummer erop. Wie zot genoeg was om naar dat nummer te bellen kreeg een antwoordapparaat aan de lijn. Wie dat wenste, kon zijn of haar probleem inspreken.” Er bestonden verschillende versies van De Koe: “In totaal heb ik 3 versies van De Koe gemaakt. In de eerste versie stond De Koe in een camionette. Die koe hebben we dan eens in brand gestoken en daarna een nieuwe gemaakt. Het succes bleef maar duren en we deden het nog eens over.  In de tweede versie was de koe gemonteerd in een stal, en in de derde op een aanhangwagen. We hebben zelfs op algemene aanvraag een versie gemaakt die binnen kon staan.” De Koe bleek een schot in de roos, een succesnummer, waar De Braeckeleer uitvoerig mee rondreisde, ook nadat hij reeds zijn andere attracties had gebouwd. Er was ook een folder. “We werden gevraagd op alle festivals van toen, tot in Nederland. Ik heb 3-4 jaar getoerd met de Koe. Dat waren ongelofelijke tijden!”

In 1981 komt De Braeckeleer met een nieuwe tour de force. Midden op de Vlasmarkt plantte hij een gigantisch ei van 5 meter hoog, samen met zijn toenmalige kompanen Willem Deleu en Jan De Bruyne. Het Ei had net als De Koe een therapeutische werking, althans volgens De Braeckeleer: “Je kwam binnen in Het Ei via een trapje en een deurtje. Er was een laag plafond, met een gat waardoor de bezoeker zijn of haar hoofd kon steken. Dan kwam je uit in een grote vogelkooi. Rondom je hoofd vlogen echte vogeltjes en fladderden enkele kippen. Zeer therapeutisch allemaal!” Door de grote proporties was Het Ei heel moeilijk te transporteren: “Het was zodanig groot dat niemand ons tegenhield en er van uitging dat we alle nodige vergunningen hadden. Dat was niet altijd het geval. Dat mag nu niet, maar toen ook niet, wees gerust.” Gelukkig had De Braeckeleer zijn trouwe kring vrienden: “Alles gebeurde op mankracht, we waren toen nog jong en sterk. Maar het was niet altijd evident. We hebben zelfs een keer de lucht uit onze banden moeten laten om onder een brug door te kunnen. Het verste waar we met Het Ei geraakt zijn, is tot in Nederland. We richtten speciaal voor het transport een werkgroep ‘Uitzonderlijk Vervoer’ op en de postkunstenaar Johan Van Geluwe van het Museum of Museums bestempelde onze vrachtbrief als kunst!” Behalve Het Ei bezoeken, kon de toeschouwer genieten van allerlei animatie, verzorgd door De Braeckeleer en zijn makkers: “We deden wat onnozel, ter vertier van de menigte. Een schaakspel met eieren bijvoorbeeld. Hoe zotter, hoe liever. We hadden toen werkelijk het gevoel dat alles mogelijk was. En de respons van het publiek was geweldig, natuurlijk. We hebben ons rot geamuseerd.”

Het Ei maken was geen sinecure. In het knipselboek kan u zien hoe De Braeckeleer en zijn vrienden  de klus klaarden, met zeer weinig middelen, maar met een overvloed aan verbeelding: “We zijn begonnen ergens in april en het was klaar voor de Gentse Feesten. We maakten een berg aarde, met een mal erover. Daar brachten we polyester op aan, het materiaal waar men boten mee maakt.”

In 1982 is De Braeckeleer weer van de partij, dit keer met een gigantisch Kaartenhuis, dat hij pal voor de woning van de gouverneur opbouwde. “Het begin was moeilijk, maar na De Koe en Het Ei begon het goed te lopen. We stonden met het Kaartenhuis bijvoorbeeld op het prestigieuze festival Boulevard of Broken Dreams in Amsterdam, vandaag heet dat festival De Parade. Vanaf toen zat er toch een zekere rendabiliteit in onze activiteiten, zeg maar. Je mag niet vergeten: wij waren geheel zelfbedruipend, we kregen geen subsidies en ik stak er geld in van wat ik  verdiende met het maken van decors en al mijn spaarcenten. We hielden daar niets aan over, hé.”

De Braeckeleer ziet nog een voordeel van de grote, imposante installaties die hij maakte: “Wat wij ook waren, was een soort afspreekpunt. Je mag niet vergeten dat er toen nog geen gsm’s waren, hé. Wij vielen nogal op. Mensen spraken af op een bepaald uur aan Het Ei. Dat was een baken.”

In 1983 en 1984 volgden respectievelijk De Muur en De Hut, twee installaties die zich op een veilige afstand van het pleintje bij Sint-Jacobs manifesteerden, namelijk in de Belfortstraat. Vanwaar die verplaatsing, was er sprake van onenigheid? “Neen, met het ‘Pleintje’ of de Vlasmarkt  zeker niet, hoor. Maar ja, hoe ging dat toen? Op de Vlasmarkt werden wij gesponsord door het café De Ekkentu van Cécile Carels. Die gaf ons 60.000 Belgische frank. Dat was een enorm bedrag toen. Om de kosten te drukken, maar ook omdat wij veel volk lokten, dat dan waarschijnlijk zou blijven hangen in haar café. In het begin stond Vuile Mong naast ons met zijn Spookkot. Wij veinsden dan dat we concurrenten waren, tot grote hilariteit van het publiek, maar in het echt waren we natuurlijk de beste vrienden. Maar stilaan werd de Vlasmarkt ingenomen door frietkramen en toiletwagens, er was gewoon minder plaats. We werden letterlijk weggeduwd door het volk. Je mag niet vergeten dat wij ook een soort stand-up comedians avant la lettre waren. We voerden een show op om de mensen te lokken, met vrolijke dansjes en vuile liedjes, alles erop en eraan. Op de duur was er te veel lawaai op de Vlasmarkt en wij konden daar niet langer tegenop. Voor De Muur was het eenvoudig: die was smal en kon gewoon op het voetpad staan. We stonden liever op de Vlasmarkt, maar de Belfortstraat was nog altijd vrij dicht bij het plein. We gedijden daar, want het belangrijkste was dat we konden spelen.”

Het Kaartenhuis hanteerde een gelijkaardig principe als Het Ei: “Je stak je hoofd langs een laag plafond binnen. Je hoofd lag dan op een dienblad, dat op een gedekte tafel stond. Je hoofd fungeerde dan als de hoofdplat! Je keek uit op een ruimte die volhing met lusters en waarvan al de wanden bedekt waren met spiegels. Je kreeg dus een effect van oneindigheid.”

Na Het Kaartenhuis kwam er De Muur, vandaag trouwens ook de naam van De Braeckeleers decorbouwbedrijf. “Aan de ene kant van De Muur kwam je binnen, aan de andere kant ging je terug buiten. De wanden waren bekleed met opgeblazen rubberen handschoenen. Wanneer je erdoor wandelde, kreeg je het gevoel betast te worden. Bovendien, hoe dieper je in de gang ging hoe donkerder het werd. In het begin waren de handschoenen namelijk  wit, maar halverwege werden die zwart. Het fluorescerende licht deed de rest! De mensen bleven er niet te lang in, want ze wisten nooit zeker wie aan het knijpen was (lacht).” De Muur was ook een voltreffer en De Braeckeleer ging opnieuw uitvoerig de hort op. Carl Gydé was ondertussen een vaste medewerker geworden en het theaterbureau Frans Brood Productions heeft nog een tijdje de contracten verzorgd. “In 1987 hebben we voor de festiviteiten voor 750 jaar Berlijn in de Duitse hoofdstad gestaan. Met De Muur aan de Muur, twee jaar voor de val. We hebben toen zelfs geprobeerd om in Oost-Berlijn te staan. Dat is niet gelukt omdat ze aan de grens dachten dat we propaganda maakten voor een ontsnappingsbeweging. “Ze vonden ons logo op het naamkaartje van De Muur vzw maar niks, daarop staan namelijk enkele mannetjes die over De Muur springen”

In 1984 komt De Braeckeleer met De Hut, alweer een staaltje vernuft en vakmanschap. “Voor De Hut hebben we eerst een maquette gemaakt. We gebruikten een hooischudder die we monteerden aan het plafond van De Hut. Daar hingen we bundels raffia aan die dan, zoals de strooien rokjes van Afrikaanse vrouwen, dansten en wiebelden in de lucht. Er was ook een lichteffect van een knetterend vuur in verwerkt. Rond De Hut hebben we kilometers zwarte plastic buizen gewikkeld, met hier en daar een gekleurde buis. Ik wilde op primitieve wijze iets bouwen met wat ik kon vinden. Voor mij is De Hut één van de mooiste dingen die ik ooit heb gemaakt, maar het bleef niet hangen in het geheugen van de mensen, althans niet op dezelfde wijze als De Koe of Het Ei. De Hut was ook minder succesvol in Gent, maar wel meer in Nederland. Vraag me niet waarom.” Ook hier was de randanimatie minstens even belangrijk als de installatie zelf: “Voor De Hut traden we ook op in oranje kostuumpjes, een beetje als een boys band. Toen zag je op de Gentse Feesten voor het eerst aanhangers van de Hare Krishna-beweging in het straatbeeld en wij parodieerden dat.” Improvisatie en amusement stonden centraal: “Wij waren een groepje vrienden, dat in een los-vast verband samen optrad. Het enige criterium om mee te doen, was dat je een aangename mens moest zijn. We namen het zeer ernstig, maar in het diepst van onze gedachten waren we eigenlijk allemaal anarchisten. We moesten ons vooral amuseren. Dat was even belangrijk als het kunstzinnige aspect. De vriendschap en het plezier.”

In 1985 ontwerpt De Braeckeleer nog De Pistron, een urinoir in de vorm van een fruitpers. Ook de Pistron kwam op zeer natuurlijke wijze tot stand: “Er was toen al een serieus plasprobleem op de Feesten. Ze vroegen mij om iets te maken om eens op een leuke manier te kunnen pissen. Ik kreeg dan het idee om een citroenpers uit te vergroten. Ik vind het nog altijd een schitterend idee, maar ik wilde het eigenlijk in glas maken. Een urinoir met de allure van een fontein, zeg maar. Door het beperkte budget was ik verplicht om het uiteindelijk in hout en polyester te maken. Binnenin zat een vernuftig sproeimechanisme dat we maakten van een oude wasmachine.” De Pistron was aanvankelijk enkel voor mannen in hoge nood: “Het was tof en hygiënisch, maar toch waren het enkel licht beschonken feestgangers die er in durfden urineren, althans dat was mijn indruk. Ik heb trouwens toen ook de vrouwenbeweging tegen mij gehad. Omdat de Pistron enkel voor mannen was. Wij hebben ons toen verkleed als toreador en hielden een rood doek voor de vrouwen die zich installeerden. Toen ze neer gingen zitten, riepen we dan natuurlijk Olé! Of trokken het doek weg. Dat heeft dus niet lang geduurd (lacht).” De Braeckeleer zou de De Braeckeleer niet zijn, indien hij het enkel bij een urinoir zou hebben gehouden: “De Pistron was gratis, dus gingen we daar niks aan verdienen. Maar we hebben daar een mouw aan gepast en bedachten een cocktail – de gelijknamige en legendarische Pistron – die we een eindje verderop verkochten in de straat Nieuwpoort, op het terras voor het Nieuwpoort theater. Een cocktail met een gele kleur, hoe kan het anders. We hadden dan vanuit de echte Pistron zogezegd een leiding gelegd die dan uitkwam in mijn cocktailbar. De Pistron werd gemaakt met Kontiki (een likeur op basis van pompelmoessap, gin en limoen), met wodka en citroen. Ik was toen een meester in het maken van cocktails, vooral van de straffe soort (lacht). Iedereen die van de Pistron dronk viel ervan achterover.”

Na de Pistron had De Braeckeleer er geen zin meer in. De Feesten groeiden uit hun kinderschoenen en het werd moeilijker en moeilijker om er iets aan over te houden: “Alle installaties heb ik gemaakt op eigen initiatief. Wij hebben nooit overheidssubsidies gekregen. Wij vroegen gewoon aan de organisatoren waar we mochten staan met onze attractie. Wij zijn door de jaren heen verdrongen door de massa, niet door de organisatie. Wij wilden erbij horen, maar waren niet tevreden met ergens in een park te gaan staan bijvoorbeeld.”

De Gentse Feesten groeien enorm in die korte periode waar De Braeckeleer prominent aanwezig was. Er bleef maar weinig over van de oorspronkelijke, kleinschalige en geëngageerde  idee van bezieler Walter De Buck. “Walter was kwaad op de commercialisering van de Feesten, op de hotdog kramen en biertenten. Hij was op een bepaald moment ook kwaad op ons omdat wij entreegeld vroegen. Hij kwam de stekker van de installatie van De Muur uittrekken! Maar die groei en commercialisering waren eigen aan die tijd. Dat vergeten sommige mensen. Het was de tijd van de yuppies en zo. Zelfs nu, met de nachtwinkels en cafés die een serieus graantje meepikken, is daar nog discussie rond. Ik vind dat maar menselijk, dat je een cent wil verdienen. Het schone vroeger op de Vlasmarkt was dat er alleen de Ekkentu was en later ‘t Krochtje. Die café’s gaven ons wat geld om ons te steunen. Zonder geld werkte het niet. Er was een kleine drempel te nemen.”

Na De Pistron houdt De Braeckeleer het voor bekeken, althans op de Gentse Feesten. Hij is sindsdien een succesvol en veelgevraagd decorbouwer. “Na een tijdje was ik het rondreizen echt beu. En toen kapte ik ermee, maar ook omdat ik professioneel begonnen was met het bouwen van theater-en televisiedecors. Wat ik vandaag nog steeds doe. Maar wat de Gentse Feesten betreft: ik heb mij zot geamuseerd, jong!”

In 2011 won Paul De Braeckeleer de door het STAM uitgeschreven wedstrijd voor de beste stoverij van Gent. De stoverij kan u proeven in het café van het STAM en tijdens de Gentse Feesten in  de CYCLUS-tent van vzw Trefpunt in het Baudelopark.

Share on FacebookShare on Twitter+1Share on Tumblr

Tags: , , , ,

Reageer